ECLI:NL:RBDHA:2024:6007
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen ongegrond verklaring beroep Dublin-overdracht Bulgarije
Opposant diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond zonder zitting, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat overdracht aan Bulgarije een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro zou opleveren.
In het verzet stelde opposant dat eigen ervaringen en rapporten wijzen op slechte opvangomstandigheden in Bulgarije, waardoor het beroep niet zonder zitting kon worden afgedaan. De rechtbank oordeelde dat het enkele feit van divergerende jurisprudentie onvoldoende is, maar dat de concrete eigen ervaringen van opposant wel een zitting vereisten. Daarom werd het verzet gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet.
De rechtbank deed vervolgens inhoudelijk uitspraak op het beroep en handhaafde het besluit dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. De opvang in Bulgarije wordt als onvoldoende slecht beoordeeld om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Ook zijn geen bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 Dublinverordening Pro vastgesteld.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten aan opposant. Tegen het verzet is geen hoger beroep mogelijk, tegen het beroep wel binnen een week bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, het beroep ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand.