ECLI:NL:RVS:2024:870
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen reëel risico bestaat op schending mensenrechten bij overdracht aan Bulgarije volgens Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van een Syrische vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling, omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de detentie- en opvangomstandigheden in Bulgarije en onvoldoende had gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er fundamentele systeemfouten zijn in de Bulgaarse detentie- en opvangcentra die de hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo bereiken. Uit recente rapporten van AIDA blijkt dat hoewel er problemen zijn, er voldoende voorzieningen, toegang tot rechtsbijstand en klachtenmogelijkheden zijn. De vreemdeling had bovendien niet geprobeerd om klachten in te dienen bij Bulgaarse autoriteiten.
Verder is vastgesteld dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid maken. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard wegens ontbreken van een reëel risico op schending van mensenrechten bij overdracht aan Bulgarije.