ECLI:NL:RBDHA:2024:6086
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens procedureel rechtmatig verblijf na aanvraag toetsing EU-recht
Eiser, van Poolse nationaliteit, kreeg op 29 maart 2024 een maatregel van bewaring opgelegd terwijl hij op diezelfde dag een aanvraag tot toetsing aan het EU-recht had ingediend. Dit gaf hem procedureel rechtmatig verblijf volgens artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris betwistte dit, verwijzend naar een besluit van 8 oktober 2019, maar de rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelt dat een aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf oplevert.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was omdat eiser op het moment van oplegging procedureel rechtmatig verblijf had. De vraag of het eerdere besluit van 2019 al dan niet is uitgewerkt, was niet relevant voor deze beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval onmiddellijke opheffing van de maatregel.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.200,- voor 12 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, gebaseerd op het standaardbedrag van €100,- per dag verblijf in een detentiecentrum. Verder veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.750,-. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig en wordt opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.