ECLI:NL:RBDHA:2024:6086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
NL24.14001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens procedureel rechtmatig verblijf na aanvraag toetsing EU-recht

Eiser, van Poolse nationaliteit, kreeg op 29 maart 2024 een maatregel van bewaring opgelegd terwijl hij op diezelfde dag een aanvraag tot toetsing aan het EU-recht had ingediend. Dit gaf hem procedureel rechtmatig verblijf volgens artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris betwistte dit, verwijzend naar een besluit van 8 oktober 2019, maar de rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelt dat een aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf oplevert.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was omdat eiser op het moment van oplegging procedureel rechtmatig verblijf had. De vraag of het eerdere besluit van 2019 al dan niet is uitgewerkt, was niet relevant voor deze beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval onmiddellijke opheffing van de maatregel.

Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.200,- voor 12 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, gebaseerd op het standaardbedrag van €100,- per dag verblijf in een detentiecentrum. Verder veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.750,-. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig en wordt opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14001 rectificatie
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser; tot een bedrag van € 1.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser is van Poolse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Eiser voert aan dat op 29 maart 2024 aan hem de maatregel van bewaring is opgelegd, terwijl hij op dezelfde dag een aanvraag om toetsing aan EU-recht heeft ingediend. [1] Hierdoor heeft hij procedureel rechtmatig verblijf gekregen als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Om die reden is de bewaring onrechtmatig.
2. De staatssecretaris betwist niet dat eiser een aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft gedaan. Hij stelt zich op het standpunt dat dit in eisers geval echter geen procedureel rechtmatig verblijf oplevert. Daarbij wijst hij naar het besluit van 8 oktober 2019, waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, nog niet is uitgewerkt. Dit volgt uit het arrest FS van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [2] Eiser heeft namelijk verklaard dat hij na zijn overlevering naar Polen direct is teruggereisd naar Nederland. Hij heeft daarmee zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Daarom kan er geen sprake zijn van rechtmatig verblijf in Nederland.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 12 november 2021 [3] , geoordeeld dat een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend om toetsing aan het EU-recht, procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft. Uit deze uitspraak volgt verder dat als een vreemdeling een aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft ingediend, een voorgenomen bewaring of een opgelegde bewaring niet op enige wettelijke bepaling kan worden opgelegd of voortgezet. De Afdeling overweegt daarbij dat het aan de wetgever is om desgewenst te voorzien in een wettelijke regeling van bewaring in het geval van vreemdelingen die een aanvraag om toetsing aan het EU-recht hebben ingediend.
4. De rechtbank overweegt dat uit deze uitspraak volgt dat het (enkel) doen van een aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf oplevert. Om die reden is het oordeel in deze zaak beperkt tot de vraag of een dergelijke aanvraag is ingediend. De vraag of het besluit van 8 oktober 2019 al dan niet is uitgewerkt valt hierbuiten. Eiser heeft een aanvraag gedaan om toetsing aan het EU-recht en heeft om die reden procedureel rechtmatig verblijf. Nu eiser de aanvraag heeft gedaan op dezelfde dag dat de maatregel van bewaring aan hem werd opgelegd, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest. De vraag of het besluit van 8 oktober 2019 al dan niet is uitgewerkt is in dit verband niet van belang. Dit doet namelijk niet af aan het procedureel rechtmatig verblijf van eiser.
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel 12 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-. Voor een hogere schadevergoeding dan het daartoe bepaalde standaardbedrag [4] bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daartoe nopen.
7. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024 door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Dit is een aanvraag tot inschrijving voor burgers van de Unie.
2.HvJEU 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506 (
3.ABRvS 21 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530.
4.Zoals berekend volgens de toepasselijke normbedragen voor de vaststelling van schadevergoeding bij onrechtmatige vrijheidsontnemingen.