ECLI:NL:RBDHA:2024:6134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
NL23.36691
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 3.48 Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing verblijfsvergunning Dublinprocedure Frankrijk

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 11 januari 2024, waarin haar beroep tegen het besluit van 15 november 2023 ongegrond werd verklaard. Het bestreden besluit hield in dat de aanvraag van opposante tot een verblijfsvergunning niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

De rechtbank heeft in eerste aanleg zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:54 Awb Pro, omdat de uitkomst van het beroep kennelijk was. Opposante stelde dat zij gehoord wilde worden en nadere stukken wilde indienen, onder meer over haar status als slachtoffer van mensenhandel en medische gegevens.

De rechtbank oordeelt dat er geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die twijfel doen ontstaan over de uitkomst van de eerdere uitspraak. De mogelijkheid tot onderbouwing van artikel 17 Dublinverordening Pro was voldoende geboden. De medische gegevens die later zijn overgelegd, rechtvaardigen geen ander oordeel.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36691 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[eiseres] , opposante V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), opposante
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde (gemachtigde: mr. J.D. Alberda).

Procesverloop

1. Bij besluit van 15 november 2023 (het bestreden besluit) heeft geopposeerde de aanvraag van opposante tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 januari 2024 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
1.2.
Opposante heeft tegen deze uitspraak op 21 februari 2024 verzet ingesteld.
1.3.
Op 27 maart 2024 is de voorlopige voorziening getroffen dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat is beslist op het verzet.
1.4.
De rechtbank heeft het verzet op 3 april 2024 op zitting behandeld. Verschenen is de gemachtigde van opposante en de gemachtigde van geopposeerde.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In de uitspraak van 11 januari 2024 is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de enkele herhaling in het beroepschrift van de eerder ingediende zienswijze, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen geopposeerde in zijn motivering tekort is geschoten, niet kan leiden tot resultaat. Ten aanzien van de stelling dat opposante een intake bij de AVIM heeft gehad en 30 dagen bedenktijd heeft gekregen, heeft de rechtbank geoordeeld dat dat in het kader van de Dublinprocedure niet relevant is. Het
Openbaar Ministerie heeft niet besloten dat opposante in het belang van het onderzoek in Nederland moet blijven en er is geen vergunning mensenhandel als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a, b of c van het Vreemdelingenbesluit 2000 afgegeven. Tot slot is geoordeeld dat ten opzichte van Frankrijk nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3. Opposante voert in verzet – kort samengevat – aan dat het beroep ten onrechte buiten zitting is afgedaan omdat zij op zitting gehoord wilde worden en dat zij nog nadere stukken wilde indienen. Opposante stelt dat haar de mogelijkheid is ontnomen haar beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te lichten en nader te onderbouwen. Daarbij is er op gewezen dat opposante slachtoffer is van mensenhandel en dat nog medische gegevens zullen worden nagezonden. Verder is aangevoerd dat het woord “kennelijk” ontbreekt.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
4.1.
In de uitspraak is vermeld dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak is gedaan zonder zitting. Onder het kopje “beslissing” is vermeld dat het beroep ongegrond is. Een beroep kan op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb alleen zonder zitting ongegrond worden verklaard als dat “kennelijk” het geval is. De term “kennelijk” betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep.1 In het enkele gegeven dat niet is vermeld dat het beroep “kennelijk” ongegrond is, ziet de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen grond gelegen voor vernietiging. Beoordeeld zal worden of het beroep middels artikel 8:54 van Pro de Awb kon worden afgedaan.
4.2.
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, gaat uitsluitend over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot behandeling van de zaak zonder zitting is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van -in dit geval- het beroep van opposante. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.2
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat opposante – op haar verzoek – op 27 november 2023 tot 8 december 2023 uitstel is verleend om gronden in te dienen tegen het besluit van
15 november 2023. Dat opposante de mogelijkheid is ontnomen om het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening te onderbouwen volgt de rechtbank dan ook niet.
4.4.
De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 15 november 2023 op het standpunt gesteld dat in hetgeen opposante naar voren heeft gebracht geen bijzondere individuele omstandigheden zijn gelegen die maken dat overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij is erop gewezen dat er geen problemen zijn geweest met de autoriteiten van Frankrijk en er van uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk van vergelijkbare kwaliteit zijn en ook ter beschikking staan van de Dublinclaimant. Waarom had moeten worden beslist dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op voornoemd standpunt kan stellen is niet nader onderbouwd. Opposante heeft op 26 maart 2024 weliswaar nog medische gegevens overgelegd (betrekking hebbend op de
1. Vgl. de uitspraak van de ABRvSvan 16 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3791
2 Vgl. de uitspraak van de ABRvSvan 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:870
periode vanaf 3 juli 2023), maar uitleg waarom deze gegevens een dermate ander licht op het besluit doen schijnen dat er wel gebruik moet worden gemaakt van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, ontbreekt. Er zijn geen argumenten naar voren gebracht die twijfel doen ontstaan over de uitkomst van de procedure als die argumenten in de beroepsprocedure naar voren zouden zijn gebracht.
4.5.
Hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd biedt dan ook geen grond voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de uitspraak van 11 januari 2024 en leidt niet tot de conclusie dat zij voorafgaand aan die uitspraak door de rechtbank had moeten worden gehoord.
5. Het verzet is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 april 2024

Documentcode: DSR35979633

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.