ECLI:NL:RBDHA:2024:6135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
NL23.36465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-tijdig beslissen asielaanvraag niet-ontvankelijk, proceskosten toegewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 17 januari 2024 heeft de Staatssecretaris alsnog een inwilligend besluit genomen, waardoor het oorspronkelijke doel van het beroep is bereikt.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen daardoor geen zin meer heeft en verklaart dit deel van het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het inwilligend besluit wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van eiser, omdat het besluit te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht was ingesteld. De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak.

Er is geen zitting gehouden omdat dat niet noodzakelijk werd geacht. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier A.W. van Eerden op 12 april 2024.

Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en verweerder is veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.36465
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Coene) en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van eiser.
Op 17 januari 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag. Het beroep van eiser wordt geacht mede te zijn gericht tegen het inwilligend besluit.
Eiser wil nu nog dat de rechtbank overgaat tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep slechts voorwaardelijk heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft daarom geen
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
Proceskostenveroordeling
4. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, nu het bestreden besluit van 17 januari 2024 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eiser. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
5. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van eiser en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van eiser te betalen.
6. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op
€ 437,50. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een beroep vanwege niet tijdig beslissen, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 april 2024

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.