ECLI:NL:RBDHA:2024:6463

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
NL24.17195
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag heeft op 24 april 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 7 februari 2024. Het beroep richt zich op het voortduren van deze maatregel na die datum.

Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, aangezien er bijna drie weken geen uitzettingshandelingen waren verricht. De rechtbank stelde echter vast dat de staatssecretaris meerdere pogingen had gedaan, waaronder rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten, het voeren van een vertrekgesprek en het uitzetten van een zoekvraag bij de liaison in Spanje.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel rechtmatig was en dat er geen sprake was van onvoldoende voortvarendheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17195

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 31 januari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 19 april 2024 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 april 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 februari 2024, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 7 februari 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De laatste uitzettingshandelingen dateren van 3 april 2024. Er zijn dus bijna drie weken verstreken zonder dat verweerder een handeling heeft verricht. Ten aanzien van het zicht op uitzetting refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder sinds 7 februari 2024 drie keer heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 28 maart 2024. Daarnaast heeft verweerder op 3 april 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Aan een eerdere oproep om op 5 maart 2024 een vertrekgesprek te voeren heeft eiser geen gehoor gegeven. Verder heeft verweerder op 3 april 2024 een zoekvraag over eisers identiteit bij de liaison Spanje uitgezet. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.
6. De ambtshalve toetsing leidt verder niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL24.3543.