ECLI:NL:RBDHA:2024:6720
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatig verblijf EU-onderdaan wegens onderbroken verblijfsduur door detentie
De zaak betreft een Poolse vreemdeling die sinds circa 2017 in Nederland verblijft en arbeid verrichtte, maar in 2022 een gevangenisstraf uitzat. De staatssecretaris stelde vast dat hij geen rechtmatig verblijf als EU-onderdaan heeft omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van het Vreemdelingenbesluit 2000, met name vanwege de onderbreking van het ononderbroken verblijf door detentie.
De vreemdeling betoogde dat hij duurzaam verblijfsrecht had verkregen en dat de detentie niet als onderbreking mocht gelden. De rechtbank verwierp dit, stellende dat artikel 8.17, derde lid, Vb correct de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU omzet, waarin detentie als onderbreking geldt.
Verder oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris terecht onderzoek deed naar het verblijfsrecht op grond van redelijke twijfel en signalen van overlast en crimineel gedrag. De belangenafweging door de staatssecretaris was zorgvuldig en het besluit tot vaststelling van onrechtmatig verblijf was proportioneel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de vreemdeling Nederland moet verlaten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdeling heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.