ECLI:NL:RBDHA:2024:6849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2024
Publicatiedatum
6 mei 2024
Zaaknummer
C/09/645004 / HA RK 23-116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 TOSArt. 6 lid 4 TOSArt. 3 TOSArt. 1 lid 1 WNIArt. 17 RWN
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap na verlies door TOS

Verzoekster, geboren in Suriname toen dit deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit via haar vader. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 en de inwerkingtreding van de TOS verloor zij als minderjarige de Nederlandse nationaliteit en verkreeg de Surinaamse nationaliteit.

Verzoekster stelde dat zij bij het bereiken van meerderjarigheid het recht had om te opteren voor het Nederlanderschap, onder verwijzing naar artikel 6 lid 4 van Pro de TOS en jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad en het Tjebbes-arrest van het Hof van Justitie van de EU. De IND en de rechtbank verwierpen deze stelling, stellende dat artikel 6 lid 4 TOS Pro slechts een correctiemogelijkheid biedt voor gevallen waarin minderjarigen anders nationaliteit zouden hebben verkregen indien zij meerderjarig waren geweest op het moment van inwerkingtreding van de TOS, wat hier niet het geval was.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster geen dubbele nationaliteit had en dat de bepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud) niet op haar van toepassing waren. Ook het beroep op het Europese evenredigheidsbeginsel en het Tjebbes-arrest faalde. Het subsidiaire verzoek tot vaststelling van het moment van verlies van het Nederlanderschap werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond en belang.

De rechtbank wees ook het verzoek tot veroordeling van de IND in de proceskosten af en concludeerde dat verzoekster geen recht heeft op herverkrijging van het Nederlanderschap via optierecht of andere grondslagen.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wordt afgewezen wegens geen optierecht bij meerderjarigheid na verlies door TOS.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 23-116
Zaaknummer: C/09/645004
Datum beschikking: 25 maart 2024

Beschikking op het op 24 maart 2023 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.E.M. Jacquemard te ‘s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M.L.K. Law.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van de IND van 22 mei 2023;
- de brief van verzoekster van 9 augustus 2023, met bijlagen;
- de brief van de IND van 24 oktober 2023, met bijlagen;
- de brief van verzoekster van 13 december 223, met bijlagen;
- de conclusie van de officier van justitie van 12 februari 2024.
Op 12 februari 2024 is de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, haar advocaat, F.W. King (juridisch adviseur van verzoekster) en M.L.K. Law namens de IND. Verzoekster heeft een pleitnotitie overgelegd.
De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot:
  • vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster;
  • subsidiair vaststelling wanneer verzoekster dan wel de Nederlandse nationaliteit heeft verloren;
  • bepaling van dag en datum waarop het verzoekschrift zal worden behandeld;
een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- De ouders van verzoekster, beiden geboren te [geboorteplaats] , Suriname, zijn op
[huwelijksdag] 1966 te distrikt [distrikt] , Suriname, gehuwd.
- Verzoekster is op [geboortedag] 1971 te distrikt [distrikt] , Suriname, uit dit huwelijk geboren. Suriname maakte op dat moment als district deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden.
- Verzoekster verkreeg bij geboorte op grond van artikel 1 lid 1 aanhef Pro en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) de Nederlandse nationaliteit door afstamming uit een Nederlandse vader.
- Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad in werking de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS).
- Verzoekster woonde ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS met haar ouders in Suriname.
- Op grond van artikel 6 van Pro de TOS in samenhang met artikel 3 van Pro de TOS verkreeg verzoekster – in navolging van haar vader – op 25 november 1975 als minderjarige de Surinaamse nationaliteit en verloor zij de Nederlandse nationaliteit.
- Op [geboortedag] 1989 werd verzoekster meerderjarig in de zin van artikel 1 lid 1 van Pro de TOS.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen.
In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat dit het geval is. Zij voert – kort gezegd – aan dat zij toen zij meerderjarig werd het recht om te opteren voor het Nederlanderschap en dat zij dit optieverzoek mondeling heeft geuit. Het verlies van het Nederlanderschap en daarmee haar Unieburgerschap heeft onevenredige gevolgen voor haar. Verzoekster beroept zich ter onderbouwing van haar standpunten op verschillende gronden. Verzoekster verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593 en doet daarmee onder meer een beroep op artikel 15 RWN Pro (oud). Zij doet tevens een beroep op het Europese evenredigheidsbeginsel en verwijst hierbij naar het “Tjebbes arrest” (Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189) en een uitspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.
De IND stelt zich op het standpunt dat de gronden waarop verzoekster zich beroept niet van toepassing zijn op haar. Volgens de IND is niet gebleken dat verzoekster, na het verlies van haar Nederlanderschap op grond van de bepalingen van de TOS, het Nederlanderschap na
25 november 1975 heeft herkregen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Vast staat dat verzoekster op 25 november 1975 minderjarig was, in Suriname woonde en daarom, evenals haar vader, op dat moment op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de TOS juncto artikel 2 lid 1 van Pro de TOS, de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse nationaliteit verloor. Eveneens staat vast dat als verzoekster op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, zij , op grond van artikel 3 van Pro de TOS eveneens de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen. Artikel 3 van Pro de TOS bepaalt namelijk dat de Surinaamse nationaliteit wordt verkregen door alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden.
In artikel 6 lid 4 van Pro de TOS is een optie mogelijkheid bij meerderjarigheid opgenomen. Dit artikel bepaalt:
“De in de voorgaande leden bedoelde minderjarigen verkrijgen de nationaliteit die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben gekregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven, mits deze nationaliteit is de nationaliteit van het land waar zij dan woonplaats hebben.”.
Anders dan verzoekster lijkt te veronderstellen, berust artikel 6 lid 4 van Pro de TOS niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden enkel daardoor de gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel de moeder. Dat is in dat artikel ook niet te lezen. Het artikel beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 van artikel 6 van Pro de TOS ertoe leidt dat een minderjarig kind een andere nationaliteit verkrijgt dan het zou hebben verkregen indien het reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS. Dat is evenwel, zoals hiervoor is weergegeven, bij verzoekster niet het geval. Voor verzoekster stond de optiemogelijkheid van artikel 6 lid 4 van Pro de TOS dan ook niet open.
Er is ook geen andere wetsbepaling waaruit volgt dat verzoekster, zoals zij stelt, bij meerderjarigheid het recht had om door middel van een wilsverklaring te opteren voor het Nederlanderschap. Verzoekster heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593 en daarmee een beroep op artikel 15 RWN Pro (oud). Dit beroep kan niet slagen. De uitspraak van de Hoge Raad is niet vergelijkbaar met de situatie van verzoekster. In die uitspraak is sprake van een betrokkene met een dubbele nationaliteit (te weten: de Nederlandse nationaliteit èn de vrijwillig verkregen Surinaamse nationaliteit). Kern van het geschil betrof de vraag of de betreffende persoon door een langdurig verblijf in Suriname alsnog de Nederlandse nationaliteit had verloren op grond van artikel 15 lid Pro 1, onder c, RWN (oud). Op grond van deze bepaling gaat voor een meerderjarige het Nederlanderschap verloren, indien de betrokkene tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten onafgebroken hoofdverblijf buiten het Koninkrijk der Nederlanden heeft gehad en buiten de Europese Unie. Deze situatie is niet aan de orde bij verzoekster. Zij heeft geen dubbele nationaliteit. Verzoekster is door de bepalingen van de TOS haar Nederlandse nationaliteit verloren en zij heeft alleen de Surinaamse nationaliteit verkregen. Om die reden zijn de bepalingen van de RWN (oud) niet op haar van toepassing (geweest). Dus ook niet de bepalingen waarnaar verzoekster verwijst over het al dan niet verliezen van de Nederlandse nationaliteit door een onafgebroken hoofdverblijf buiten het Koninkrijk der Nederland en buiten de Europese Unie.
In het verlengde van het voorgaande kan het beroep op “Tjebbes” – het verlies van Unieburgerschap – ook niet slagen. Daarbij komt dat verzoekster het Nederlanderschap ruim voor de invoering van het Unieburgerschap op 1 november 1993 is verloren, zodat nog maar de vraag is of voor gevallen van vóór 1993 hierop een beroep kan worden gedaan. Overigens voorziet de wet sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder Pro p RWN in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele unierechtelijke evenredigheidstoets.
De rechtbank ziet ook niet in dat verzoekster op een andere grond een optierecht zou toekomen dan wel dat zij op een andere grond het Nederlanderschap zou hebben verkregen. Het primaire verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap zal dan ook worden afgewezen.
Verzoekster verzoekt subsidiair vast te stellen wanneer zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. De rechtbank zal dit subsidiaire verzoek eveneens afwijzen. Artikel 17 RWN Pro biedt geen grondslag voor een dergelijk verzoek en van een belang bij de verzochte vaststelling is ook niet gebleken.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Emmens, A.M. Brakel en A.M. van der Vliet, rechters, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.