Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft op 20 maart 2024 alsnog een inwilligend besluit genomen. De rechtbank acht het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het belang van eiser is komen te vervallen door het genomen besluit.
Eiser vordert daarnaast dat de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vaststelt en verweerder veroordeelt tot betaling van proceskosten. De rechtbank overweegt dat sinds 11 juli 2021 de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing is, waardoor geen dwangsommen verschuldigd zijn bij te late beslissingen op asielaanvragen voor bepaalde tijd.
De rechtbank volgt de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (30 november 2022) dat deze opschorting niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel. Ook wijst de rechtbank het verzoek tot proceskostenveroordeling af omdat de ingebrekestelling prematuur was en de beslistermijn door een verlengingsbesluit is opgerekt tot 13 september 2024.
De rechtbank sluit de procedure zonder zitting en doet uitspraak op basis van het dossier. Het beroep wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond, met afwijzing van de proceskostenveroordeling.