ECLI:NL:RBDHA:2024:7143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
NL24.15384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 3 EVRMartikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepsgronden in Dublin-zaak Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat de beroepsgronden te laat zijn ingediend, namelijk twee dagen na de uiterste termijn. Hoewel eiser een vergissing aanvoerde, oordeelde de rechtbank dat deze niet verschoonbaar is, mede omdat de fout door een professioneel rechtsbijstandverlener is gemaakt.

De rechtbank heeft vervolgens getoetst of niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, zoals vereist op grond van het arrest Bahaddar. Uit de landeninformatie en jurisprudentie blijkt dat Kroatië nog steeds kan worden vertrouwd op adequate opvang en behandeling van asielzoekers volgens het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij in Kroatië slecht is behandeld en psychische en lichamelijke klachten heeft, maar hij heeft geen medische stukken overgelegd die dit onderbouwen. De rechtbank achtte de bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel niet aannemelijk. Ook het beroep op het arrest C.K. werd verworpen wegens gebrek aan medische onderbouwing en het ontbreken van onomkeerbare gezondheidsachteruitgang.

Ten slotte oordeelde de rechtbank dat geen sprake is van onevenredige hardheid zoals bedoeld in artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15384
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. C.G. Matze),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

In het besluit van 8 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve of de beroepsgronden op tijd zijn ingediend. De laatste dag voor het indienen van de beroepsgronden was 16 april 2024. De beroepsgronden zijn in het digitale dossier opgenomen op 18 april 2024. Dat is te laat en daar is tussen partijen ook geen verschil van mening over.
2. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een vergissing bij het berekenen van de termijn. Dat maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de fout is gemaakt door een professioneel rechtsbijstandverlener.
3. Normaal gesproken leidt dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. In dit geval moet de rechtbank echter beoordelen of niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege de nationale procedureregels voor eiser onmiskenbaar zou leiden tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [1] Dat volgt uit het arrest Bahaddar. [2] Daarvoor moet de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.
4. Uitgangspunt is dat Nederland in het algemeen erop mag vertrouwen dat Kroatië zich houdt aan de regels met betrekking tot de opvang en de procedures van asielzoekers. Dat wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
5. De rechtbank ziet in de landeninformatie en de jurisprudentie geen aanwijzingen dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat eiser stelt dat hij, toen hij illegaal Kroatië inreisde, getuige was van pushbacks en dat hij zelf in Kroatië ook niet netjes is behandeld, betekent niet dat hij als Dublinterugkeerder niet volgens de regels zal worden behandeld. Kroatië heeft met het claimakkoord bevestigd dat hij verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Ook uit de meest recente jurisprudentie van de Afdeling [3] leidt de rechtbank af dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. [4]
6. Vervolgens is het de vraag of er in het geval van eiser aanvullende garanties nodig zijn van Kroatië op adequate opvangvoorzieningen als bedoeld in het arrest Tarakhel. [5] De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat eiser bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest. Voor zover mag worden aangenomen dat eiser in Kroatië slecht is behandeld, dat hij daardoor last van zijn knie heeft gekregen en dat hij daaraan bovendien psychische klachten heeft overgehouden, kan op basis van de stukken niet worden gezegd dat er bij eiser sprake is van een zodanige bijzondere kwetsbaarheid dat de staatssecretaris aanvullende garanties moet vragen. Eiser heeft ook geen medische stukken overgelegd die zijn verklaringen onderbouwen.
7. Dan gaat de rechtbank nu in op het beroep van eiser op het arrest C.K. [6] De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of moet worden gevreesd dat overdracht van eiser aan Kroatië leidt tot onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie. Ook daarvoor geldt dat eiser geen medische onderbouwing heeft gegeven van de door hem gestelde lichamelijke en psychische klachten. Er is ook geen sprake van medische behandeling. Medische behandeling kan eiser ook in Kroatië krijgen als hij daarom vraagt.
8. Tot slot dient de rechtbank te beoordelen of overdracht van eiser aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het moet dan gaan om feiten of omstandigheden die los staan van wat eiser in Kroatië stelt te hebben meegemaakt. Dat blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dergelijke feiten of omstandigheden heeft eiser niet aangevoerd.
9. De rechtbank concludeert dat niet aannemelijk is dat overdracht van eiser aan Kroatië onmiskenbaar leidt tot onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Dat leidt ertoe dat het beroep niet-ontvankelijk is.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Arrest Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
5.Arrest EHRM van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUDO02921712).
6.Arrest Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127).