Eiser heeft op 24 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 28 oktober 2023 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een nader gehoor moet afnemen binnen acht weken en daarna binnen acht weken een besluit moet nemen. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser van € 437,50, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en wijst erop dat eiser binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een verzetschrift kan indienen als hij het niet eens is met de uitspraak.