ECLI:NL:RBDHA:2024:7352
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Algerije wegens niet-ontvankelijke opvolgende asielaanvraag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit om zijn uitzetting naar Algerije niet uit te stellen ondanks een ingediende opvolgende asielaanvraag. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze aanvraag niet-ontvankelijk is omdat deze louter is ingediend om de uitzetting te vertragen en geen nieuwe relevante feiten bevat. Verzoeker voert aan dat Algerije onveilig is vanwege dreiging, medische problemen en zijn kind in Nederland, maar deze gronden zijn onvoldoende onderbouwd.
De rechter benadrukt dat bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering en dat verzoeker zijn bezwaren in de bezwaarprocedure tegen het oorspronkelijke besluit moet aanvoeren. De eerdere asielaanvraag en het daarop volgende beroep zijn afgewezen, en het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
De voorzieningenrechter concludeert dat de bezwaren van verzoeker geen redelijke kans van slagen hebben en dat de uitzetting mag worden uitgevoerd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Algerije wordt afgewezen.