ECLI:NL:RVS:2016:353
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel en feitelijke uitzetting
De staatssecretaris wees op 21 juni 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit op 13 oktober 2015 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat volgens vaste rechtspraak een vreemdeling geen bezwaar kan maken tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 als rechtsmiddelen tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit nog openstaan. Indien dergelijke rechtsmiddelen zijn aangewend, moet het bezwaar worden aangemerkt als een verzoek tot voorlopige voorziening binnen die procedure. Indien geen rechtsmiddelen zijn aangewend, geldt het bezwaar als een rechtsmiddel tegen het besluit.
De rechtbank had het beroep tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard, waardoor de rechtmatigheid van de uitzetting vaststond. De vreemdeling had hoger beroep moeten instellen en een verzoek tot voorlopige voorziening moeten indienen bij de Afdeling, wat hij ook deed. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op 14 oktober 2015 het verzoek afgewezen en de vreemdeling is uitgezet.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting niet had hoeven doorzenden en ook niet meer hoefde te beslissen. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.