Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:7525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
NL23.17647
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus - Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening België

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2024 behandeld en beoordeelt dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. Hoewel er tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen in België, vormen deze geen fundamentele systeemfout die het vertrouwensbeginsel doorbreekt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit recent bevestigd op basis van het AIDA-rapport van april 2023.

Eiseres valt niet onder de groep die structureel verstoken blijft van opvang in België. De eerdere klachten over het ontbreken van opvang en leefgeld zijn volgens de rechtbank achterhaald en betreffen een periode vóór het rapport van de Afdeling. De brieven van de Belgische autoriteiten tonen geen onverschilligheid en er is geen reden om aan te nemen dat België zijn verdragsverplichtingen jegens eiseres niet zal nakomen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is ongegrond verklaard en het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17647

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres, omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de staatssecretaris voor België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiseres stelt dat de staatssecretaris voor België ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat er ernstige tekortkomingen in de Belgische opvangvoorzieningen bestaan. [2] Eiseres voert aan dat zij in België geen opvang heeft gekregen en dat zij ook geen leefgeld heeft gekregen. Eiseres wijst er daarbij op dat uit informatie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen [3] volgt dat dit een structureel probleem is waar de Belgische regering geen daadwerkelijke oplossing voor biedt, ook niet als de rechter of het EHRM bepaalt dat aan een vreemdeling opvang moet worden geboden. De brieven van de Belgische autoriteiten, waar de staatssecretaris ter weerlegging van deze informatie naar verwijst, zijn volgens eiseres niet in overeenstemming met de feitelijke situatie.
5.1.
Het betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het uitgangspunt is dat de staatssecretaris eiseres niet mag overdragen als zij na overdracht persoonlijk te maken krijgt met een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft recent geoordeeld dat er weliswaar tekortkomingen in de Belgische opvangvoorzieningen zijn, maar dat de enkele schending van opvangverplichtingen onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat dit geen fundamentele systeemfout is die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt. [5] De Afdeling heeft in die uitspraak het AIDA-rapport over België van 21 april 2023 betrokken. De opvangproblemen spelen bovendien alleen voor alleenstaande mannen, en (onder meer) vrouwen krijgen voorrang bij de toewijzing van opvangplaatsen. [6] Eiseres valt dus niet onder de groep die in België onder omstandigheden van opvang verstoken blijft. De door eiseres aangehaalde informatie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en de stelling van eiseres dat zij in het verleden geen opvang en geen leefgeld heeft gekregen, doen daar niet aan af, omdat deze informatie dateert van vóór de informatie die de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraak heeft betrokken. De staatssecretaris heeft verder terecht gesteld dat uit de brieven van de Belgische autoriteiten niet blijkt van onverschilligheid van de Belgische autoriteiten, omdat uit deze brieven niet volgt dat de Belgische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens eiseres niet zullen nakomen. Mocht eiseres van mening zijn dat België zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, ligt het op de weg van eiseres om daarover te klagen bij de (hogere) Belgische autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft en eiseres aan België mag worden overgedragen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus - Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Eiseres wijst ter onderbouwing op het rapport van de Asylum Information Database over België van 21 april 2023, p. 65.
3.‘Geen opvang voor mensen die asiel zoeken na evacuatie [locatie]: tijd om politieke verantwoordelijkheid te nemen’, 17 februari 2023.
4.Zie HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
5.ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896.
6.ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, r.o. 5.5.1-5.6.