ECLI:NL:RBDHA:2024:7677
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid bevestigd
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben eisers beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had deze aanvragen op 17 maart 2022 afgewezen, en ook het bezwaar van eisers tegen deze besluiten werd op 1 september 2022 verworpen.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 behandeld, waarbij de gemachtigde van de staatssecretaris aanwezig was, maar eisers en hun gemachtigde niet verschenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht de aanvragen heeft afgewezen omdat eisers niet beschikten over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet konden worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Bovendien voldeed de referent, op wie het verblijf van eisers was gebaseerd, niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning omdat diens eigen aanvraag was afgewezen en deze afwijzing was gehandhaafd.
Het verweer van eisers dat de staatssecretaris hun aanvragen niet had mogen afwijzen vanwege een onterechte weigering aan de referent, werd verworpen. De rechtbank bevestigde de afwijzing van de verblijfsvergunning van de referent en daarmee was ook de afwijzing van de aanvragen van eisers terecht. De beroepen werden ongegrond verklaard, met als gevolg dat de afwijzing van de aanvragen in stand bleef en eisers geen proceskosten of griffierecht vergoed krijgen.
Uitkomst: De beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun verblijfsvergunningaanvragen worden ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.