ECLI:NL:RVS:2025:1789

Raad van State

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
22 april 2025
Zaaknummer
202403366/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na bezwaar en beroep

Appellanten hebben bij besluit van 17 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakten zij bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard bij besluit van 1 september 2022. Vervolgens hebben appellanten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 22 mei 2024 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit hoger beroep hangt samen met een soortgelijk hoger beroep van een familielid, dat eveneens ongegrond werd verklaard in een gelijktijdige uitspraak. De Afdeling oordeelt dat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven.

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. Tevens hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer op 23 april 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202403366/1/V2.
Datum uitspraak: 23 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 mei 2024 in zaken nrs. NL22.17559 en NL22.17561 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 september 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep hangt namelijk samen met het hoger beroep in de zaak van een familielid van appellanten. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:1766, heeft de Afdeling dat hoger beroep ongegrond verklaard. Het hogerberoepschrift bevat verder geen vragen die nog beantwoord moeten worden.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2025
307-1088