ECLI:NL:RBDHA:2024:7687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
22 mei 2024
Zaaknummer
23/4559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven omdat zij stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel en seksuele uitbuiting tussen 2017 en 2021. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Hoewel eiseres aangifte heeft gedaan, was het strafrechtelijk onderzoek ten tijde van het besluit nog niet afgerond en ontbraken objectieve aanwijzingen.

Eiseres heeft medische verklaringen en een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden overgelegd. De medische stukken zijn echter gebaseerd op haar eigen verklaringen en vermelden mensenhandel niet expliciet. De verblijfsvergunning bevestigt alleen dat zij aangifte heeft gedaan, maar geeft geen informatie over het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank oordeelt dat deze stukken onvoldoende objectief en onpartijdig bewijs vormen.

De rechtbank volgt het beleid uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarin staat dat een geweldsmisdrijf aannemelijk moet worden gemaakt met objectieve aanwijzingen naast de eigen verklaring. De verwijzing door eiseres naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak leidt niet tot een ander oordeel omdat zij geen medisch specialist met ervaring in mensenhandel heeft ingeschakeld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag. Dit betekent dat eiseres geen uitkering ontvangt, maar sluit niet uit dat het geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4559

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Pieters).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (Schadefonds).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres via een geluidsverbinding en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel en seksuele uitbuiting in [plaatsnaam] in de periode tussen 2017 en 2021. Daarom heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een uitkering uit het Schadefonds. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [1] Ze heeft weliswaar aangifte gedaan bij de politie, maar het strafrechtelijk onderzoek was ten tijde van het bestreden besluit nog niet afgerond. Verder zijn er geen objectieve aanwijzingen die een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk maken.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Met diverse medische verklaringen, de aangifte bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel en het gegeven dat eiseres direct een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden heeft gekregen, heeft ze aannemelijk gemaakt dat ze slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel. [2] Uit de beleidsbundel volgt dat een geweldsmisdrijf niet bewezen hoeft te worden, maar dat dit aannemelijk moet worden gemaakt. De eigen verklaring van een slachtoffer is – als dat het enige is – onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Een aangifte en het strafrechtelijk onderzoek dat erop volgt, kan in hoge mate bijdragen aan de onderbouwing van een aanvraag. Het gegeven dat het Openbaar Ministerie een verdachte vervolgt voor het door het slachtoffer opgegeven geweldsmisdrijf kan een bijdrage leveren aan de onderbouwing van de aanvraag. Of de aanvraag vervolgens voldoende onderbouwd is, moet dan wel worden bezien in samenhang met de overige objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft aangifte gedaan bij de politie. Ten tijde van het bestreden besluit liep het strafrechtelijk onderzoek echter nog en dus heeft de politie geen informatie aan verweerder verstrekt. Eiseres moet daarom voldoende objectieve aanwijzingen aanleveren om een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. Eiseres heeft hiertoe medische informatie, opgesteld door haar behandelaar bij Psychologische Praktijk B.V., overgelegd. In die medische stukken wordt verwezen naar meerdere traumatische gebeurtenissen in eiseres’ leven, waarbij mensenhandel niet wordt genoemd. Het geeft verder geen uitsluitsel over wat er precies in de periode tussen 2017 en 2021 is gebeurd. Daarbij komt dat de medische stukken zijn gebaseerd op de eigen verklaringen van eiseres. Van objectief en onpartijdig bewijs is naar het oordeel van de rechtbank in dat geval geen sprake. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarnaar eiseres ter zitting heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel, [3] omdat eiseres – anders dan in die zaak aan de orde was – geen medisch specialist heeft ingeschakeld met ervaring van klachten als gevolg van mensenhandel en uitbuiting.
Ook de kennisgeving van de IND van 5 januari 2023 over het aan eiseres op tijdelijke humanitaire gronden verleende verblijfsdocument is geen objectieve aanwijzing. Eiseres heeft een verblijfsdocument gekregen voor de periode tussen 4 januari 2023 en
4 januari 2024, omdat zij aangifte heeft gedaan van mensenhandel. De brief van de IND zegt verder niets over het strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel en wat de uitkomst van dat onderzoek is.
4.2.
Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om uitkering uit het Schadefonds mocht afwijzen. Dit betekent overigens niet dat het geweldsmisdrijf niet heeft plaatsgevonden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen uitkering uit het Schadefonds krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
2.Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven 2022 (beleidsbundel).
3.Uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:781.