ECLI:NL:RBDHA:2024:7693
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering exploitatie- en alcoholwetvergunning wegens vermoeden valsheid in geschrifte
Eiser vroeg een exploitatie- en alcoholwetvergunning aan voor een horecagelegenheid, maar de burgemeester van Den Haag weigerde deze vergunningen op grond van een vermoeden van valsheid in geschrifte. Dit vermoeden was gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie in het bibob-formulier, waarin eiser zijn strafrechtelijke veroordeling voor mishandeling niet vermeldde.
Eiser voerde in beroep aan dat hij de veroordeling niet hoefde te vermelden omdat het hoger beroep nog liep en hij zelf slachtoffer was, en dat de financiële informatie uit een eerdere aanvraag onjuist was door fouten van een voormalige boekhouder. Tevens stelde hij dat de weigering onevenredig was gezien de aard van het strafbare feit en de buurtfunctie van zijn café.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester de vergunningen terecht heeft geweigerd omdat het vermoeden van valsheid in geschrifte op grond van de onjuiste verklaring in het bibob-formulier gerechtvaardigd was. Het feit dat de mishandeling niet vermeld werd, leidde tot dit vermoeden. De ernst van het strafbare feit mishandeling was niet relevant, maar het verzwijgen ervan wel. De rechtbank vond de weigering niet onevenredig en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat het besluit niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.K.S. Mollen op 26 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de exploitatie- en alcoholwetvergunning wordt ongegrond verklaard.