Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder had de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar heeft niet binnen deze termijn beslist. Eiser stelde verweerder in gebreke en diende daarna beroep in, dat de rechtbank gegrond verklaarde omdat het beroep niet tijdig was ingesteld na ingebrekestelling.
De rechtbank legt verweerder een beslistermijn van zestien weken op, verdeeld in twee periodes van elk acht weken: eerst voor het afnemen van een nader gehoor en vervolgens voor het nemen van een besluit. Deze termijn is gebaseerd op het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. De rechtbank veroordeelt verweerder ook tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 22 april 2024 door rechter R.J.A. Schaaf. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.