Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, betwist de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij voert aan dat er geen geldig terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag ligt, omdat het eerdere terugkeerbesluit geen land van terugkeer vermeldt en het aanvullende terugkeerbesluit van 5 mei 2024 niet voldoet aan de vereisten.
De rechtbank stelt vast dat het eerdere terugkeerbesluit van 25 augustus 2020 onherroepelijk is en duidelijk Algerije als land van terugkeer aanwijst. Het aanvullende terugkeerbesluit is onverplicht en roept geen nieuwe rechtsgevolgen op, waardoor de rechtbank onbevoegd is om het beroep tegen dit besluit te behandelen. Ten aanzien van de maatregel van bewaring oordeelt de rechtbank dat de zware en lichte gronden waarop deze is gebaseerd voldoende zijn en dat eiser niet heeft meegewerkt aan zijn terugkeerverplichting.
Eiser heeft medische omstandigheden en persoonlijke omstandigheden aangevoerd om een lichter middel te bepleiten, maar de rechtbank acht deze onvoldoende onderbouwd en concludeert dat bewaring proportioneel en noodzakelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.