ECLI:NL:RVS:2008:BE8962
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en recht op horen tijdens ophouding volgens artikel 50 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de ophouding van een vreemdeling op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig achtte omdat de vreemdeling niet was gehoord tijdens de ophouding.
De Raad van State stelt vast dat uit de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 50, tweede lid, niet volgt dat de vreemdeling tijdens de ophouding verplicht moet worden gehoord. De ophouding is bedoeld om nader onderzoek te doen naar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. In deze zaak is dergelijk onderzoek daadwerkelijk verricht, waaronder controle van personalia en het nemen van vingerafdrukken.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat het niet horen van de vreemdeling tijdens de ophouding niet onrechtmatig is, tenzij bijzondere omstandigheden het horen noodzakelijk maken. Die omstandigheden zijn hier niet gebleken. Daarom wordt het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de ophouding is niet onrechtmatig ondanks het niet horen tijdens de ophouding.