Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 17 september 2022, waarbij verweerder de beslistermijn van zes maanden met negen maanden verlengde op grond van de WBV 2022/22. Eiser stelde verweerder na het verstrijken van deze termijn in gebreke en diende vervolgens beroep in, dat de rechtbank kennelijk gegrond verklaart.
De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op aan verweerder, rekening houdend met het feit dat verweerder nog een voornemen moet nemen en eiser daarop zijn zienswijze kan geven. Tevens wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Dit volgt uit de toepasselijkheid van artikelen 8:55d en 8:72 van de Awb, ondanks een tijdelijke wet die dit aanvankelijk uitsloot.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en de beperkte aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.D. Bijlhout op 22 april 2024.