ECLI:NL:RBDHA:2024:7809
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting Gambia
De rechtbank Den Haag heeft op 23 mei 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de voortzetting van een maatregel van bewaring tegen een vreemdeling van Gambiaanse nationaliteit. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en werd betwist door eiser, die tevens schadevergoeding vorderde wegens onrechtmatige detentie.
De rechtbank overwoog dat sinds 8 april 2024 de verantwoordelijkheid voor het inplannen van een presentatie voor uitzetting volledig bij eiser lag, nadat hij voor de tweede keer niet was verschenen. De laatste uitzettingshandeling was het vertrekgesprek van 10 april 2024, waarna geen nieuwe presentatie werd ingepland door de staatssecretaris. Hoewel de staatssecretaris nog rappels heeft gestuurd, achtte de rechtbank deze niet relevant omdat de medewerking van eiser noodzakelijk bleef en hij niet meewerkte.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel vanaf 1 mei 2024 onrechtmatig was, omdat er geen zicht op uitzetting meer was en de staatssecretaris gedurende 33 dagen geen uitzettingshandelingen verrichtte. De rechtbank veroordeelde de staat tot betaling van een schadevergoeding van €1.300,- voor 13 dagen onrechtmatige detentie en stelde de proceskosten van eiser vast op €2.625,-. Het beroep werd gegrond verklaard en het beroep op schadevergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is gegrond verklaard en de staat is veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.