Eiser diende op 5 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 5 maart 2024 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken vast waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet worden afgenomen en binnen acht weken daarna het besluit moet worden bekendgemaakt.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. Ook wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De rechtbank wijst erop dat het beroep alleen betrekking heeft op de overschrijding van de beslistermijn en dat eiser de mogelijkheid heeft om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift in te dienen indien hij het niet eens is met deze uitspraak.