ECLI:NL:RBDHA:2024:8032
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Tadzjiekse politieke vluchteling wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende vrees voor vervolging
Eiser, een Tadzjiekse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn politieke activiteiten en vrees voor vervolging door de Tadzjiekse autoriteiten. Hij stelde onder meer dat hij kritiek had geuit op de president via een livestream, bedreigd was, zijn familie werd lastiggevallen en dat hij religieuze uitingen zoals het dragen van een baard niet vrij kon uitoefenen. Tevens vreesde hij dienstweigering.
De staatssecretaris achtte de politieke activiteiten en de daaropvolgende problemen ongeloofwaardig en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer vervolging of onrechtmatige behandeling zou ondervinden. De rechtbank bevestigde dit oordeel, onder meer omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn livestream, de bedreigingen en de betrokkenheid van een spion, en zijn medische en culturele omstandigheden onvoldoende concreet waren toegelicht.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het dragen van een baard niet als fundamentele religieuze overtuiging was aangetoond en dat de dienstweigering geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro opleverde. Ook werd het beroep als kennelijk ongegrond afgewezen vanwege het niet onverwijld melden van de asielaanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag, het vertrekbesluit en het inreisverbod. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.