ECLI:NL:RBDHA:2024:8041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op step-up verkrijgingsprijs aandelen bij remigratie uit België naar Nederland
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van de erven van de overleden belastingplichtige tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2018. De zaak betrof de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen in een Nederlandse BV, die de overledene had verkregen in 1994, waarna hij in 1991 naar België emigreerde en in 2003 weer naar Nederland remigreerde.
De kern van het geschil was of de verkrijgingsprijs van de aandelen bij remigratie moest worden verhoogd (step-up) tot de waarde in het economische verkeer op het moment van terugkeer naar Nederland, zodat alleen de waardestijging na remigratie zou worden belast. De rechtbank oordeelde dat de verkrijgingsprijs ongewijzigd bleef op de oorspronkelijke aanschafprijs, conform een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2017. Dit betekent dat de volledige waardestijging vanaf de oorspronkelijke verkrijging belastbaar is in Nederland.
De rechtbank verwierp de stellingen van eisers dat deze heffing in strijd zou zijn met het belastingverdrag tussen Nederland en België, het evenredigheidsbeginsel, EU-recht, waaronder de vrijheid van vestiging, en het Engeland-arrest. Er was geen sprake van een grensoverschrijdend element bij de verkoop in 2018, aangezien de belastingplichtige toen binnenlands belastingplichtig was. Ook was er geen sprake van dubbele heffing. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard.
De rechtbank wees tevens op het ontbreken van gronden tegen de berekende belastingrente en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verkrijgingsprijs van de aandelen blijft vastgesteld op € 9.075 zonder step-up.