ECLI:NL:HR:1998:AA2569
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verkrijgingsprijs krachtens erfrecht verkregen aandelen in inkomstenbelasting
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van aandelen die in 1978 krachtens erfrecht zijn verkregen door wijlen X en zijn echtgenote, en die zij in 1991 hebben verkocht. De kern van het geschil betreft de juiste verkrijgingsprijs van deze aandelen voor de inkomstenbelasting over 1991. De Staatssecretaris van Financiën stelde dat de verkrijgingsprijs gelijk moest zijn aan die van de erflater, terwijl de belanghebbenden de waarde op het moment van overlijden van de erflater als verkrijgingsprijs aanvoerden.
Het Hof te Arnhem vernietigde de aanslag en stelde de verkrijgingsprijs vast op de waarde van de aandelen op het moment van overlijden van de erflater, met toepassing van het 20%-tarief. De Hoge Raad bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat artikel 39, lid 9, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet van toepassing is indien ten tijde van het overlijden van de erflater geen fiscale claim bestond, zoals in dit geval door een verdragsregeling.
De Hoge Raad volgt hiermee eerdere jurisprudentie en benadrukt dat het stelsel van artikel 39, leden 9 en 10, bedoeld is om fiscale claims veilig te stellen die daadwerkelijk bestaan, en niet om nieuwe claims te creëren. Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem wordt bekrachtigd.