ECLI:NL:RBDHA:2024:8070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting
Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, is sinds 14 december 2023 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten en beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 17 april 2024, het moment van sluiting van het vorige onderzoek.
De rechtbank constateert een overschrijding van de wettelijke termijn voor het sluiten van het vooronderzoek, maar acht dit niet schadelijk voor eiser omdat de uitspraak binnen een redelijke termijn is gedaan. Eiser betoogt dat er geen reëel zicht is op uitzetting naar Suriname vanwege de vermeende weigering van de Surinaamse autoriteiten om een laissez-passer te verstrekken.
De rechtbank stelt vast dat de Surinaamse nationaliteit van eiser is bevestigd en dat toezegging is gedaan voor het verstrekken van een laissez-passer. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat er stappen zijn gezet richting uitzetting, maar dat eiser niet meewerkt aan presentaties bij de diplomatieke vertegenwoordiging en zijn vertrekgesprek. Hierdoor is eiser mede zelf verantwoordelijk voor de langere duur van de bewaring.
De rechtbank ziet geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.