ECLI:NL:RBDHA:2024:8079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
23/2511
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaartermijn begint bij bekendmaking besluit, niet bij later toegezonden medisch advies

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn heeft haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen deze niet-ontvankelijkverklaring behandeld.

De kern van het geschil betreft het aanvangsmoment van de bezwaartermijn. Eiseres stelde dat de termijn pas begon te lopen op de dag dat het medisch advies werd toegezonden, omdat het besluit toen compleet was. De rechtbank oordeelde echter dat de bezwaartermijn start bij de bekendmaking van het besluit zelf, ook als aanvullende stukken later worden verstrekt, om rechtszekerheid te waarborgen.

Hoewel het medisch advies een week later werd toegezonden, was het besluit voorzien van een motivering en had eiseres al eerder inzage en correctiemogelijkheden gehad. Er was geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard vanwege te late indiening van het bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2511
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Khairallah).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring door verweerder van haar bezwaar, volgend op de afwijzing van de aanvraag om huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke opvang 2015 (Wmo 2015) van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2023 heeft verweerder een inhoudelijke toetsing achterwege gelaten en het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in verband met te late indiening daarvan en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] van Wmo-team en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. Voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaar- of beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift indien niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit waartegen het bezwaar is gericht, bekend heeft gemaakt op 8 december 2022. Het bezwaarschrift is op 25 januari 2023, meer dan zes weken later, ingediend.
6. Door eiseres is aangevoerd dat zij het bezwaarschrift tijdig binnen de bezwaartermijn heeft ingediend, omdat zij uitgaat van 14 december 2022 als de datum waarop de bezwaartermijn is gaan lopen. Pas op 14 december 2022 werd het medisch advies aan eiseres toegezonden. Toen pas was het besluit compleet. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 6:8 van Pro de Awb blijkt dat met het besluit de “blote beschikking” is bedoeld. [1] De termijn gaat ook lopen indien bij bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan bijkomende verplichtingen die voortvloeien uit de Awb. De reden hiervoor is om te voorkomen dat er onduidelijkheden of onzekerheid ontstaan over het aanvangsmoment van de bezwaar- en beroepstermijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaartermijn op 9 december 2022 is gaan lopen. Gelet hierop is het bezwaarschrift na het verlopen van de wettelijke bezwaartermijn, en dus niet tijdig, ingediend.
7. Onder omstandigheden kan wel sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, bijvoorbeeld indien de motivering van het besluit zonder goede grond in het geheel niet verstrekt wordt of onredelijk lang uitblijft. Dat is hier echter niet het geval. Het besluit was namelijk wel voorzien van een motivering. Dat het medisch advies, waarnaar in het bestreden besluit is verwezen, niet was bijgevoegd en dus geen sprake was van een volledige motivering, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Allereerst is het medisch advies één week later alsnog toegezonden, zodat eiseres hier ruim voor het aflopen van de bezwaartermijn kennis van heeft kunnen nemen. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres ten aanzien van het medisch advies gebruik heeft gemaakt van haar inzage- en correctierecht. Op 28 november 2022 heeft zij gereageerd op het medisch verslag en enkele punten van correctie aangevoerd. Eiseres was dus reeds bekend met de inhoud van het medisch verslag. Niet gebleken is dat eiseres niet binnen de bezwaartermijn, eventueel op nader aan te voeren gronden, bezwaar kon maken.
8. Tot slot overweegt de rechtbank dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 niet tot een ander oordeel leidt. [2] Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor eiseres niet binnen de termijn bezwaar kon maken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024 door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 126 en 127 (Memorie van Toelichting).