Verzoekster, een Syrische nationaliteit houdende vrouw, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens uitgezet naar Turkije op 21 mei 2024. Zij diende een opvolgende asielaanvraag in, maar deze werd door verweerder niet als ontvankelijk beschouwd omdat deze aanvraag geen nieuwe feiten bevatte en slechts was bedoeld om de uitzetting te vertragen.
Verzoekster stelde dat uitzetting naar Turkije zou leiden tot refoulement en verwees naar een recent arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 februari 2024. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het arrest niet van toepassing was omdat het ging om een ander feitelijk kader en dat Turkije voor verzoekster slechts een doorreisland is zonder verblijfsstatus.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit geen redelijke kans van slagen heeft. De belangen van de staatssecretaris bij uitvoering van het terugkeerbesluit wegen zwaarder dan het belang van verzoekster om uitzetting te voorkomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak werd zonder zitting gedaan vanwege de spoedeisendheid en de korte termijn tot de geplande uitzetting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.