ECLI:NL:RBDHA:2024:8311
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsdocument voor niet-EU ouder minderjarig kind
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een EU-verblijfsdocument af te wijzen. De aanvraag betrof een verblijfsvergunning voor een niet uit de Europese Unie afkomstige ouder van een minderjarig Nederlands kind. De staatssecretaris wees de aanvraag af op 10 februari 2022 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 16 juni 2022. De rechtbank had eerder op 10 maart 2023 het beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd, waarna de staatssecretaris een nieuw besluit nam dat opnieuw afwijzend was.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van het EU-verblijfsdocument en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro terecht in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank gaat uit van het eerdere oordeel dat eiser een verblijfsstatus in Italië heeft en dat hij onvoldoende heeft aangetoond vader te zijn van de kinderen of een relatie met zijn partner. Ook is geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigen.
De staatssecretaris heeft zwaar meegewogen dat de partner van eiser niet werkt en een uitkering ontvangt, dat eiser geen rechtmatig verblijf had tijdens het opbouwen van het gezinsleven in Nederland, en dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Italië voort te zetten. De rechtbank bevestigt dat het gezinsleven niet aan Nederland is gebonden en dat eiser zijn leven in Italië behoort op te bouwen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het EU-verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.