Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.
1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de
nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven,
2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.
3. Ieder kind heeft het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.
a) het belang van het kind;
1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
2. De onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is lid 1 van toepassing.
de vreemdeling heeft verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat;
47 Hieruit volgt dat een derdelander alleen aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro indien zowel deze derdelander als de Unieburger, die een familielid is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten wanneer geen dergelijk verblijfsrecht wordt toegekend. Derhalve kan de toekenning van een dergelijk afgeleid verblijfsrecht slechts worden overwogen wanneer de derdelander die familielid van een Unieburger is, niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van andere bepalingen – met name de nationale regels inzake gezinshereniging – een verblijfsrecht te krijgen in de lidstaat waarvan deze burger een onderdaan is [arrest van 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 41].
48 Zodra vaststaat dat noch krachtens het nationale recht noch krachtens het afgeleide Unierecht een verblijfsrecht kan worden toegekend aan de derdelander die familielid van een Unieburger is, heeft het bestaan van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen beiden dat de Unieburger zich genoopt zou zien het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten indien zijn familielid-derdelander van het grondgebied wordt verwijderd, tot gevolg dat artikel 20 VWEU Pro de betrokken lidstaat in beginsel verplicht om de derdelander een afgeleid verblijfsrecht te verlenen [arrest van 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 42].
(…)
73 Na deze verduidelijking moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat – zoals in punt 47 van dit arrest in herinnering is gebracht – het afgeleide verblijfsrecht dat krachtens artikel 20 VWEU Pro aan een derdelander kan worden toegekend, een subsidiair karakter heeft, zodat het aan de verwijzende rechter staat om te onderzoeken of XU niet op grond van een andere Unierechtelijke bepaling in aanmerking kwam voor een recht om op het Spaanse grondgebied te verblijven.
66 Meer in het bijzonder dient met het oog op de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, dat Unieburger is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan zijn ouder, die een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, te worden bepaald of deze ouder de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. In het kader van deze beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind, dat samenvalt met het recht van dit kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, zoals neergelegd in artikel 24, lid 3, van het Handvest [zie in die zin arresten van 1 juli 2010, Povse, C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 64, en 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(…)
69 Bovendien kan, met name gelet op hetgeen in de punten 65 tot en met 67 van het dit arrest is opgemerkt, wanneer de minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met zijn twee ouders en het gezag over dit kind en de wettelijke, affectieve en financiële last van dit kind dus dagelijks door deze twee ouders worden gedeeld, op weerlegbare wijze worden vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen deze minderjarige Unieburger en zijn ouder, die derdelander is, ongeacht het feit dat de andere ouder van dit kind, zoals in punt 59 van dit arrest is benadrukt, als onderdaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan dit gezin is gevestigd, beschikt over een onvoorwaardelijk recht om op het grondgebied van deze lidstaat te verblijven.
in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten” er op duidt dat als een derdelander ouder een minderjarig Unieburger kind ten laste heeft daarom een afgeleid verblijfsrecht kan worden ontleend aan artikel 20 VWEU Pro en dit dan een verblijfsrecht is op het grondgebied van de lidstaat waar het kind verblijft en waarvan het kind de nationaliteit heeft.
45 Er bestaan immers zeer bijzondere situaties waarin ondanks het feit dat het secundaire recht inzake het verblijfsrecht van derdelanders niet van toepassing is en dat de betrokken Unieburger geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, niettemin een verblijfsrecht moet worden toegekend aan een derdelander die familielid is van die Unieburger, omdat aan het burgerschap van de Unie elk nuttig effect zou worden ontnomen indien die burger ten gevolge van de weigering om een dergelijk recht toe te kennen, genoodzaakt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten, waardoor hij het effectieve genot van de belangrijkste aan zijn status van Unieburger ontleende rechten zou verliezen [arresten van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C‑34/09, EU:C:2011:124, punten 42‑44, en 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 39].
46 De weigering om aan een derdelander een verblijfsrecht toe te kennen kan echter alleen afbreuk doen aan het nuttige effect van het burgerschap van de Unie indien er tussen die derdelander en de Unieburger, die een lid is van zijn familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze ertoe zou leiden dat laatstgenoemde gedwongen is de betrokken derdelander te vergezellen en het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten [arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 52, en 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 40].
36 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een derdelander die gezinslid is van een Unieburger, zoals E. K., alleen een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro wordt toegekend in zeer bijzondere situaties waarin, hoewel het secundaire recht inzake het verblijfsrecht van derdelanders niet van toepassing is en de betrokken Unieburger zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, de weigering om een dergelijk recht toe te kennen die Unieburger er feitelijk toe zou dwingen het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, waardoor hem het effectieve genot van de belangrijkste aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd [zie in die zin arresten van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 63, en 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Een dergelijke weigering kan alleen afbreuk doen aan het nuttige effect van het burgerschap van de Unie indien er tussen die derdelander en de Unieburger die een lid is van zijn gezin dus een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze ertoe zou leiden dat de Unieburger, indien de derdelander geen verblijfsrecht voor het grondgebied van de Unie wordt toegekend, gedwongen is hem te vergezellen en het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten [zie in die zin arrest van 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof moet de erkenning van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro worden beoordeeld aan de hand van de intensiteit van de afhankelijkheidsverhouding tussen de betrokken derdelander en de Unieburger die zijn gezinslid is, en moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval [zie in die zin arresten van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 71; 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 72, en 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 56].
43 Het is juist dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de autoriteiten die bevoegd zijn om zich uit te spreken over een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 20 VWEU Pro, rekening moeten houden met het belang van het betrokken kind, maar het in aanmerking nemen van een dergelijk belang werd alleen overwogen bij de beoordeling of er sprake was van een afhankelijkheidsverhouding in de zin van de in punt 26 van dit arrest genoemde rechtspraak, dan wel bij de beoordeling van de gevolgen van een op overwegingen van openbare veiligheid of openbare orde gebaseerde afwijking van toekenning van het afgeleide verblijfsrecht waarin dat artikel voorziet [zie in die zin arresten van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 71, en 5 mei 2022, Subdelegación del Gobierno en Toledo (Verblijfsrecht van een gezinslid – Onvoldoende bestaansmiddelen), C‑451/19 en C‑532/19, EU:C:2022:354, punt 53]. Het Hof heeft dan ook niet geoordeeld dat dit belang kon worden aangevoerd om een aanvraag voor een verblijfsvergunning af te wijzen, maar was juist van oordeel dat het kon worden aangevoerd om te verhinderen dat een besluit werd vastgesteld dat dit kind verplichtte het grondgebied van de Unie te verlaten.
uitsluitendbij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, dan wel bij de beoordeling van de gevolgen van een op overwegingen van openbare veiligheid of openbare orde gebaseerde afwijking van toekenning van het afgeleide verblijfsrecht, rekening moeten houden met het belang van het betrokken kind of dat het belang van het kind integraal bij de beoordeling moet worden betrokken en een essentiële overweging moet zijn in de besluitvorming. De rechtbank verzoekt het Hof in aanvulling hierop of in de situatie als in het hoofdgeding aan de orde, aan de eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven
uitsluitendbij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, dan wel bij de beoordeling van de gevolgen van een op overwegingen van openbare veiligheid of openbare orde gebaseerde afwijking van toekenning van het afgeleide verblijfsrecht, gewicht toekomt.
59 Het Hof heeft ook vastgesteld dat een beginsel van internationaal recht, dat opnieuw is bevestigd bij artikel 3 van Pro Protocol nr. 4 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, dat het recht van de Unie in de betrekkingen tussen de lidstaten niet kan worden geacht te miskennen, zich ertegen verzet dat een lidstaat zijn eigen onderdanen het recht van toegang tot zijn grondgebied en verblijf aldaar op welke grond ook ontzegt (arrest van 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, EU:C:1974:133, punt 22). Aangezien de onderdanen van een lidstaat aldus beschikken over een onvoorwaardelijk verblijfsrecht op het grondgebied van die lidstaat, kan een lidstaat niet rechtmatig een van zijn onderdanen verplichten zijn grondgebied te verlaten om met name de verplichtingen na te leven die uit diens huwelijk voortvloeien, zonder dit beginsel van internationaal recht te schenden [arrest van 27 februari 2020, Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real (Echtgenoot van een burger van de Unie), C‑836/18, EU:C:2020:119, punt 60].
27. Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child places an obligation on both the public and the private spheres, courts of law, administrative authorities and legislative bodies to ensure that the best interests of the child are assessed and taken as a primary consideration in all actions affecting children.
(…)
31. In order to implement the best interests principle in migration-related procedures or decisions that could affect children, the Committees stress the need to conduct systematically best-interests assessments and determination procedures as part of, or to inform, migration-related and other decisions that affect migrant children. As the Committee on the Rights of the Child explains in its general comment No. 14, the child’s best interests should be assessed and determined when a decision is to be made.
(…)
54. Artikel 24, lid 2, en artikel 51, lid 1, van het Handvest bevestigen de fundamentele aard van de rechten van het kind en het vereiste dat de lidstaten deze rechten eerbiedigen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Derhalve dient richtlijn 2011/95 te worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 24, lid 2, van het Handvest.(55) Dat wordt weerspiegeld in overweging 16 van richtlijn 2011/95, waarin is vermeld dat deze richtlijn de toepassing van onder andere artikel 24 van Pro het Handvest tracht te bevorderen, en in overweging 18 ervan, waarin is vermeld dat het belang van het kind, wanneer de lidstaten die richtlijn uitvoeren, een van de hoofdoverwegingen van die lidstaten dient te zijn, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989(56). Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van het gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van het kind, met inachtneming van zijn leeftijd en niveau van maturiteit.
(…)
56. Gelet op de voorgaande overwegingen, en zoals in de rechtspraak van het Hof is aangegeven(58), moet het belang van het kind mijns inziens worden vastgesteld op individuele basis en worden betrokken bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming, met inbegrip van volgende verzoeken.
(…)
58. De toepassing van kindvriendelijke procedurele waarborgen is van groot praktisch belang. Toch bevatten artikel 24 van Pro het Handvest, de artikelen 3, 9, 12 en 13 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarop die bepaling van het Handvest is gebaseerd, richtlijn 2011/95 of de rechtspraak van het Hof niets dat aangeeft dat de belangen van het kind niet zouden moeten worden betrokken bij de beoordeling van de inhoud van verzoeken in verband met kinderen. In artikel 24, lid 2, van het Handvest zelf is bepaald dat bij „alle” handelingen in verband met kinderen „rekening wordt gehouden” met de belangen van het kind.(60) Volgens de rechtspraak van het Hof maakt alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van een kind het mogelijk te bepalen wat het belang van dat kind is.(61) In dit verband kan advies van een deskundige nuttig of zelfs noodzakelijk zijn. (…)
(…)
60. Beslissingen inzake wanneer en hoe precies dergelijke aangelegenheden beoordeeld moeten worden en in aanmerking moeten worden genomen, zijn kwesties die onder de uitoefening van de procedurele autonomie van de lidstaten vallen, met dien verstande dat het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel moeten worden geëerbiedigd.(64)
61. Derhalve is een beoordeling van de belangen vereist om te kunnen beslissen op het verzoek om internationale bescherming van een minderjarige of op een verzoek dat een minderjarige betreft of aanzienlijke gevolgen voor hem met zich meebrengt(65) en dat voldoet aan de vereisten van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 51, lid 1, van het Handvest. In een dergelijke passende beoordeling kan rekening worden gehouden met aspecten zoals de chronologische leeftijd, de ontwikkelingsleeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheden, de gezinssituatie, de opleiding en de fysieke en mentale gezondheid van het kind.(66)
de bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures alleen betrekking hebben op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten, aangezien deze richtlijn niet beoogt alle voorschriften van de lidstaten inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg regelt die richtlijn noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld.” [28] . De afwijzing van een verzoek om een afgeleid verblijfsrecht is echter tevens de vaststelling van onrechtmatig verblijf en dus -in beginsel- het opleggen van een plicht om het grondgebied van Nederland te verlaten. Artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met -onder meer- het belang van het kind en het familie- en gezinsleven.
43 In die zin staat in artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met overweging 22 ervan, dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening houden met het „belang van het kind”. (…)
44 Dat artikel 5, onder a), heeft tot gevolg dat wanneer een lidstaat voornemens is krachtens richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, hij in alle fasen van de procedure rekening moet houden met het belang van het kind.
45 Bovendien is in artikel 24, lid 2, van het Handvest bepaald dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, van het Handvest, bevestigt het fundamentele karakter van de rechten van het kind, mede in het kader van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in een lidstaat verblijven.
46 Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maakt alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk te bepalen wat het „belang van het kind” is, en een besluit te nemen dat aan de vereisten van richtlijn 2008/115 voldoet.
47 Derhalve moet de lidstaat bij de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige terdege rekening houden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige.
(…)
51 Het bestaan van die verplichting ontslaat de betrokken lidstaat evenwel niet van de andere controleverplichtingen krachtens richtlijn 2008/115. In het bijzonder bepaalt artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115, zoals in punt 43 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat in alle fasen van de procedure rekening wordt gehouden met het belang van het kind.
60 Op grond van het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader dient die lidstaat zich ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.
alvorenszij een terugkeerbesluit kunnen opleggen. De rechtbank vraagt het Hof in wezen nader te preciseren of deze verplichting dezelfde strekking en omvang heeft als er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd, maar het illegale verblijf wordt beëindigd door de derdelander op te dragen om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van een andere lidstaat. Indien het Hof dit aldus uitlegt, dient de beslisautoriteit zich
alvorenseen besluit te nemen op het verzoek om een afgeleid verblijfsrecht, te vergewissen van de gevolgen voor het minderjarige kind indien de derdelander ouder wordt opgedragen om zich naar de lidstaat te begeven waar hij een verblijfsrecht heeft.
88 In de tweede plaats moet evenwel worden opgemerkt dat het hoofddoel van richtlijn 2008/115 erin is gelegen om een doeltreffend verwijderings‑ en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zoals volgt uit de overwegingen 2 en 4 daarvan, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de waardigheid van de betrokkenen (arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest aan die derdelander toegekende grondrechten moeten eerbiedigen (arrest van 11 juni 2015, Zh. en O., C‑554/13, EU:C:2015:377, punt 69).
90 Dat geldt onder meer voor het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven van die derdelander, zoals gewaarborgd door artikel 7 van Pro het Handvest. Dit recht, dat de verwijzende rechter specifiek heeft aangeduid in zijn vierde vraag, komt overeen met het in artikel 8 EVRM Pro verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie‑ en gezinsleven van de betrokken derdelander [arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 104].
alvorenseen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, zich rekenschap geeft van het familie-, gezins- en privéleven van de derdelander en onderzoekt wat de gevolgen hiervoor zijn indien het terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. De rechtbank legt de bovengenoemde overwegingen van het Hof in het arrest van 22 november 2022 in de zaak X derhalve mede ten grondslag aan de motivering van de prejudiciële vragen. De rechtbank vraagt het Hof in wezen nader te preciseren of deze verplichting om rekening te houden met de relevante aspecten van het familie‑ en gezinsleven van de betrokken derdelander, dezelfde strekking en omvang heeft als er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd, maar het illegale verblijf wordt beëindigd door de derdelander op te dragen om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van een andere lidstaat. Indien het Hof dit aldus uitlegt, dient de beslisautoriteit zich
alvorenseen besluit te nemen of een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend, te vergewissen van de gevolgen voor het familie‑ en gezinsleven van de betrokken derdelander ouder indien deze wordt opgedragen om zich naar de lidstaat te begeven waar hij een verblijfsrecht heeft. De rechtbank vraagt het Hof dan uit te leggen of, indien de derdelander ouder de relevante feiten en omstandigheden aandraagt, de beslisautoriteit dient te onderzoeken of het gezinsleven van het Unieburger kind met de derdelander ouder en mogelijk met de Unieburger ouder, gezamenlijk kan worden voortgezet en uitgeoefend in de lidstaat waar de derdelander ouder een verblijfsrecht heeft en een onderzoeksplicht of een verplaatsing van dit gezinsleven naar een andere lidstaat in het belang van het kind is.