Betrokkene kreeg een verkeersboete van €109,- opgelegd en stelde daartegen administratief beroep in bij de officier van justitie, die dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde. Betrokkene ging hiertegen in beroep bij de kantonrechter. Tijdens de eerste zitting werd de kantonrechter door de gemachtigde van betrokkene gewraakt, wat leidde tot schorsing van het onderzoek. De wrakingskamer verklaarde het verzoek deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.
Bij de tweede zitting was de gemachtigde afwezig, maar de zaak werd voortgezet. De officier van justitie stelde dat het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard vanwege een afwijkend adres op de machtiging. De kantonrechter oordeelde echter dat de machtiging toereikend was en dat het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging waarop de boete betrekking heeft, voldoende concreet en duidelijk is vastgesteld in het zaakoverzicht. Betrokkene was op 10 december 2021 staande gehouden, en hoewel de redelijke termijn van twee jaar op 10 december 2023 was verstreken, werd de overschrijding met minder dan een maand geconstateerd. Volgens de kantonrechter volstaat een constatering van de overschrijding zonder verdere sancties.
De kantonrechter verklaarde het kantonberoep gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het administratief beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.