ECLI:NL:RBDHA:2024:8401
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk onbevoegdverklaring rechtbank inzake klacht bestuursorgaan
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn klacht tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde zich bij uitspraak van 17 november 2023 kennelijk onbevoegd omdat een klacht tegen een bestuursorgaan geen besluit is waartegen beroep mogelijk is. Opposant stelde verzet in en verzocht om behandeling van zijn verzoek tot nietigverklaring van de verblijfsvergunning van zijn ex-echtgenote.
De rechtbank overwoog dat het beroep ongegrond was omdat opposant geen aanvraag tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro had gedaan en dat een klacht tegen een bestuursorgaan geen besluit is. Opposant betoogde dat hij wel degelijk een aanvraag had gedaan, maar dit werd niet erkend. Tijdens de zitting op 30 april 2024 heeft opposant zijn klacht niet ontkend.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om af te wijken van de eerdere uitspraak en dat het verzet ongegrond was. De rechtbank handhaafde haar eerdere oordeel dat zij kennelijk onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep. Het verzet werd daarom afgewezen en de buiten-zitting uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en handhaaft de kennelijk onbevoegdverklaring.