ECLI:NL:RBDHA:2024:1467
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser, een Somalische asielzoeker, beoordeeld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat geen onderzoek is gedaan naar de opvangsituatie in Frankrijk, waar volgens hem ernstige tekortkomingen en materiële deprivatie zouden bestaan. Hij vreesde schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest en verwees naar het AIDA-rapport 2022 en nieuwsberichten over de moeilijke situatie in Frankrijk.
De rechtbank stelde vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat verweerder terecht mocht vertrouwen op de verantwoordelijkheid van Frankrijk. De aangevoerde omstandigheden en informatie boden geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. Er was geen actuele, concrete informatie die een risico op schending van mensenrechten aantoonde. Ook was geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Frankrijk onevenredig zouden maken.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M.M. Meijers.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.