Op 9 mei 2024 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser, met de Poolse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen deze bewaring, dat tevens als verzoek om schadevergoeding wordt behandeld. De bewaring werd op 21 mei 2024 opgeheven vanwege uitzetting naar Polen.
De rechtbank beoordeelt of de bewaring rechtmatig was en richt zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was voorafgaand aan de opheffing. Tijdens de zitting op 21 mei 2024 was eiser niet aanwezig, terwijl hij wel was opgeroepen. De staatssecretaris stelde dat uitzetting prioriteit had en dat eiser via beeldverbinding kon worden gehoord, maar dit was praktisch niet mogelijk.
De rechtbank oordeelt dat het aanwezigheidsrecht van eiser, een fundamenteel recht volgens de Vreemdelingenwet, het EVRM en het EU-Handvest, is geschonden. De staatssecretaris heeft onvoldoende inspanningen verricht om het horen van eiser mogelijk te maken. Hierdoor is de bewaring onrechtmatig vanaf het moment van opleggen.
De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe van €1300 voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €1750 aan de rechtsbijstandverlener. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak is openbaar bekendgemaakt op 28 mei 2024.