ECLI:NL:RBDHA:2024:8423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van overdrachtsbelasting bij verkrijging aandelen in onroerende-zaakrechtspersoon
Eiseres had een middellijk belang van 30% in een onroerende-zaakrechtspersoon en verkreeg vervolgens 100% van de aandelen in deze rechtspersoon. Zij betaalde overdrachtsbelasting over de volledige waarde van de onroerende zaak, terwijl zij stelde dat zij slechts belasting verschuldigd was over het aanvullende belang van 70%, omdat anders sprake zou zijn van dubbele belastingheffing.
De rechtbank stelt vast dat de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet Brv) geen ruimte biedt voor vermindering van de overdrachtsbelasting op grond van een reeds bestaand middellijk belang. Artikel 10 van Pro de Wet Brv bepaalt dat de waarde van de aandelen gelijk is aan de waarde van de onroerende zaak die zij vertegenwoordigen, ongeacht het reeds bestaande belang.
De rechtbank wijst het beroep van eiseres af en bevestigt dat de volledige waarde van de onroerende zaak belast is. De stelling van economische dubbele heffing wordt niet gevolgd, omdat de rechter gebonden is aan de wet en niet de billijkheid kan toetsen. De minister van Financiën kan via de hardheidsclausule tegemoetkomen aan onbillijkheden, maar dit is geen zaak voor de rechter.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.E. Postema en griffier T. Blauw op 31 mei 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de volledige overdrachtsbelasting over 100% van de aandelen wordt bevestigd.