ECLI:NL:RBDHA:2024:8425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
3 juni 2024
Zaaknummer
NL24.20139
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 lid 4 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 15 lid 2 GrondwetArt. 5 lid 4 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring door schending aanwezigheidsrecht en toekenning schadevergoeding

Eiser, een Poolse vreemdeling, werd op 9 mei 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde beroep in tegen deze bewaring, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 21 mei 2024, waarbij eiser niet aanwezig was vanwege een geplande uitzetting op diezelfde dag.

De rechtbank onderzocht of de bewaring rechtmatig was en of het aanwezigheidsrecht van eiser bij de zitting was geschonden. Ondanks dat de staatssecretaris stelde dat uitzetting prevaleert boven het aanwezigheidsrecht, oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende inspanningen had verricht om eiser tijdig te laten horen, bijvoorbeeld via een tijdige beeldverbinding. Dit leidde tot een ernstige schending van het aanwezigheidsrecht.

Gelet op deze onrechtmatigheid werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €1300,- voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van €1750,-. Het vonnis werd uitgesproken door rechter N.M. Spelt op 28 mei 2024.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van het aanwezigheidsrecht en kent een schadevergoeding van €1300,- toe.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20139
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Inleiding

Op 9 mei 2024 heeft de staatssecretaris eiser in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2024 op een zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser was niet aanwezig.
De staatssecretaris heeft de bewaring van eiser op 21 mei 2024 opgeheven, omdat eiser die dag om 20.35 uur is uitgezet.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig was.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [1994] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Het aanwezigheidsrecht van eiser
3. De rechtbank overweegt over het recht van eiser om aanwezig te zijn bij de zitting als volgt.
4. Op woensdag 15 mei 2024 is eiser opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 21 mei 2024 om 9.30 uur. Op diezelfde dag is een zittingslijst naar de staatssecretaris gestuurd, waarbij voor eiser ‘aanvoer’ is aangegeven.
5. Op donderdag 16 mei 2024 heeft de staatssecretaris in de aanbiedingsbrief vermeld dat er voor eiser een vlucht gepland staat op 21 mei 2024 om 20.35 uur naar Krakow-Balice (Polen).
6. Op vrijdag 17 mei 2024 om 16.40 uur heeft de rechtbank een mail ontvangen van een medewerker van het Detentiecentrum Rotterdam (DCR) dat er geen transport is aangevraagd voor eiser, omdat hij op dinsdag 21 mei 2024 wordt uitgezet. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting op dinsdag 21 mei 2024 hierover contact opgenomen met het DCR. Door een (andere) medewerker van het DCR is toen gezegd dat eiser al weg was.
7. Bij aanvang van de zitting bleek dat eiser niet was aangevoerd. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft vervolgens op verzoek van de rechtbank contact opgenomen met de regievoerder. Die heeft toegelicht dat eiser nog in het DCR verbleef en niet naar de rechtbank verplaatst kon worden vanwege de geplande vlucht. Eiser zou namelijk om 14.45 uur vanuit het DCR opgehaald worden voor vertrek naar Schiphol. Het vervoer vanaf de rechtbank na de zitting zou pas om 15.30 uur plaatsvinden, dus dat zou men niet redden. Eiser zou volgens de regievoerder nog wel gehoord kunnen worden vanuit het DCR via een beeldverbinding. Gelet op de planning was dat voor de rechtbank echter niet meer uitvoerbaar.
8. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat het aanwezigheidsrecht van eiser is geschonden. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de uitzetting prevaleert boven het recht van eiser om gehoord te worden. De regievoerder heeft volgens de staatssecretaris een juiste inschatting gemaakt: vanwege het transport kon eiser niet aangevoerd worden. Bovendien kan eiser nog gehoord worden via een beeldverbinding.
9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraken van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991) en 10 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2296) is het recht om op zitting te worden gehoord, dat is geregeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, een uitwerking van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van Pro het EU Handvest en is dat recht, hoewel niet absoluut, een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden.
10. Er mag daarom van de staatssecretaris verwacht worden dat hij inspanningen verricht om het mogelijk te maken dat eiser gehoord kan worden. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris dit onvoldoende heeft gedaan. De uitzetting van eiser stond gepland op 21 mei 2024 om 20.35 uur, terwijl de zaak van eiser als eerste op de zitting stond gepland, om 09.30 uur. Het was dus niet praktisch geheel onmogelijk om eiser tijdig terug te brengen naar het DCR. Bovendien had tijdig verzocht kunnen worden om eiser te horen via een beeldverbinding. Dat is nu pas tijdens de zitting voorgesteld, en was toen niet meer uitvoerbaar. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris het aanwezigheidsrecht van eiser geschonden.
11. Dit gebrek is dermate ernstig dat voor een belangenafweging geen plaats is. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan daarom onrechtmatig. Het beroep is daarom gegrond. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd hoeft gelet hierop geen nadere bespreking.
12. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In dit geval is de bewaring inmiddels opgeheven in verband met de uitzetting van eiser. De rechtbank acht gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 13 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1300,-.
13. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1300-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 mei 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.