ECLI:NL:RBDHA:2024:8523
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen afwijzing verzoek overbrenging Afghanen naar Nederland wegens termijnoverschrijding
Eiser, een voormalige bewaker van de Afghan Security Guard die voor de Nederlandse strijdmacht werkte, verzocht op 12 augustus 2021 om overbrenging naar Nederland voor zichzelf en zijn familie. Verweerder wees dit verzoek af omdat het niet binnen de door de Kamerbrief aangewezen periode was ingediend, te weten tussen 15 augustus en 11 oktober 2021. De rechtbank oordeelt dat eiser zich slechts drie dagen vóór de startdatum van 15 augustus heeft gemeld en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek niet alsnog in behandeling is genomen.
Het beleid voor overbrenging is neergelegd in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, waarin een speciale voorziening geldt voor twee afgebakende groepen Afghanen die voor Defensie of EUPOL werkten. Verweerder stelde aanvankelijk dat eiser niet tot deze groep behoorde omdat hij niet rechtstreeks bij Defensie in dienst was, maar bij een subcontractor. Dit standpunt is verlaten, maar verweerder handhaafde dat het verzoek buiten de termijn was ingediend.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiser niet per se binnen de gestelde periode moest vallen en dat het verzoek niet specifiek was gericht op de tolkenregeling. Bovendien heeft verweerder niet goed gemotiveerd waarom het verzoek niet alsnog is meegenomen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.458,33 toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuwe beslissing nemen.