ECLI:NL:RBDHA:2024:865
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep in vreemdelingenzaak
Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 22 december 2021 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
Op 29 december 2023 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar gegrond en verleende alsnog de verblijfsvergunning met ingang van 26 januari 2022. Hierop trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er sprake was van een bestuurlijke heroverweging, de staatssecretaris niet aan de bezwaren van verzoeker tegen het primaire besluit tegemoet was gekomen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen volledige tegemoetkoming aan de bezwaren is gegeven.