ECLI:NL:RBDHA:2024:8654
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning bij moeder
Eiser, een minderjarige met de Syrische nationaliteit, heeft namens zijn moeder een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als gezinslid. De aanvraag is op 8 februari 2023 ingediend en ingewilligd met diezelfde datum als ingangsdatum. Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en verzocht om deze terug te laten gaan tot zijn geboortedatum, omdat hij toen al aan de voorwaarden voldeed en de vertraging niet aan zijn ouders te wijten was.
De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft omdat een eerdere ingangsdatum van invloed is op toeslagen zoals kinderbijslag en kindgebonden budget. De rechtbank toetst vervolgens de wettelijke bepalingen, met name artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en het evenredigheidsbeginsel. Uit de wet volgt dat de ingangsdatum niet eerder kan zijn dan de datum van indiening van de aanvraag.
De rechtbank stelt vast dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van deze wettelijke regeling rechtvaardigen. De door eiser aangevoerde fouten van hulpverleners leiden niet tot een andere beoordeling. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond en bevestigt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 8 februari 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op de datum van aanvraag wordt ongegrond verklaard.