ECLI:NL:RBDHA:2024:882
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bpm-heffing niet in strijd met Unierecht; vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiseres betaalde op 26 oktober 2021 BPM voor de registratie van een Porsche 911. Zij stelde dat de BPM-heffing in strijd was met het Unierecht omdat de aangifte en betaling eerder plaatsvonden dan het belastbare feit, wat volgens de Hoge Raad onjuist is.
De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar duurde, waardoor de redelijke termijn met bijna twee maanden werd overschreden.
Eiseres kreeg daarom een vergoeding van €500 voor immateriële schade toegekend. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De rechtbank wees erop dat de vergoeding op een bankrekening van eiseres moet worden gestort, conform de Wet BPM.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. Postema op 24 januari 2024. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de Bpm-heffing wordt ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt €500 vergoeding wegens termijnoverschrijding.