ECLI:NL:RBDHA:2024:8903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zweden volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2024 behandeld en beoordeelt of het besluit terecht is genomen.
Eiser stelde dat Zweden de veiligheidssituatie in Syrië onjuist beoordeelt en dat er sprake is van systeemfouten in de Zweedse asielprocedure en opvang, waardoor indirect refoulement dreigt. Tevens voerde hij aan dat de staatssecretaris navraag had moeten doen bij Zweden over zijn afwijzing en opvangmogelijkheden.
De rechtbank volgt deze argumenten niet. Op basis van een recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie mag de rechtbank niet toetsen op indirect refoulement zonder aanwijzingen voor systeemfouten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zulke fouten bestaan. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing en de staatssecretaris mocht uitgaan van de verantwoordelijkheid van Zweden.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvraag aan zich te trekken wegens bijzondere omstandigheden slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat asielinhoudelijke motieven en de medische situatie van eiser onvoldoende zijn om overdracht te weigeren.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter P.J.M. Mol op 30 april 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.