ECLI:NL:RBDHA:2024:8928
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De voorzieningenrechter had eerder een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De rechtbank overweegt dat Nederland op 12 december 2023 een verzoek tot terugname aan Duitsland heeft gedaan, dat op 19 december 2023 is aanvaard. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag Nederland ervan uitgaan dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt.
Eiser stelde dat artikel 10 van Pro de Dublinverordening (familieband) ten onrechte niet is toegepast, maar de rechtbank oordeelt dat de familieband onvoldoende is onderbouwd. Ook het beroep op artikel 17 (hardheidsclausule) faalt omdat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen sprake is van onevenredige hardheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en dat overdracht aan Duitsland mogelijk is.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag mag worden overgedragen aan Duitsland.