De rechtbank Den Haag behandelde het teruggeleidingsverzoek van de moeder inzake de minderjarige [kind], die zonder haar toestemming door de vader van China naar Nederland was gebracht. Partijen oefenden gezamenlijk ouderlijk gezag uit en hadden samen besloten naar China te verhuizen, waar de minderjarige haar gewone verblijfplaats had. De vader had geen toestemming voor het vertrek naar Nederland en stelde dat het verblijf in China tijdelijk was, hetgeen de rechtbank niet aannam.
De rechtbank oordeelde dat de overbrenging naar Nederland ongeoorloofd was in de zin van het Haagse Verdrag, dat hier analoog werd toegepast. Omdat minder dan een jaar was verstreken sinds de overbrenging, moest de onmiddellijke terugkeer worden gelast, tenzij sprake was van weigeringsgronden. De vader voerde aan dat terugkeer naar China het kind in een ondraaglijke situatie zou brengen, maar kon dit niet onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden van toepassing waren en gelastte de terugkeer van de minderjarige naar China uiterlijk 27 juni 2024. Tevens werd bepaald dat indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen, hij de benodigde reisdocumenten aan de moeder moet afgeven. Partijen konden een vaststellingsovereenkomst indienen en de bijzondere curator bleef betrokken zolang hoger beroep mogelijk was.