De rechtbank Den Haag behandelde op 28 mei 2024 de verzoeken om voorlopige voorziening van vijf Syrische asielzoekers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun verblijfsvergunningaanvragen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De verzoekers waren bijgestaan door een gemachtigde en gebruikten een tolk.
Gezien de gelijktijdige uitspraak in de bodemzaken, waarin de beroepen van verzoekers werden behandeld, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees de verzoeken af. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris wel tot betaling van de door verzoekers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 875,00 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter G.P. Loman en griffier Z.P. de Wilde op 11 juni 2024. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.