ECLI:NL:RBDHA:2024:9254

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juni 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
SGR 23/1954
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verzoek overbrenging vanuit Afghanistan op grond van Tolkenregeling

Eiser diende op 16 maart 2022 een verzoek in om overbrenging van zichzelf en zijn gezinsleden vanuit Afghanistan naar Nederland, gebaseerd op zijn werkzaamheden als tolk voor NAVO- en ISAF-eenheden, waaronder de Nederlandse missie. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser niet aan de voorwaarden van de Tolkenregeling zou voldoen. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat het e-mailbericht van 28 april 2022 geen besluit zou zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiser stelde dat de afwijzing wel degelijk een besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaan, en verwees daarbij naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Tevens voerde hij aan dat verweerder hem onterecht niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn werkzaamheden te bewijzen en dat hij niet in bezwaar is gehoord. Verweerder betoogde dat de Tolkenregeling geen publiekrechtelijke grondslag heeft en dat de afwijzing daarom geen besluit is in de zin van de Awb.

De rechtbank volgde het oordeel van de hoogste bestuursrechter van 10 april 2024 dat de afwijzing van een verzoek op grond van de Tolkenregeling wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar onjuist. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: J. Bravo Mougán),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging vanuit Afghanistan.
1.1.
Verweerder heeft het verzoek bij e-mailbericht van 28 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 februari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser nietontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 16 maart 2022 heeft eiser een verzoek ingediend om hem en zijn gezinsleden over te brengen vanuit Afghanistan naar Nederland. Eiser stelt dat hij in de periode juli 2010 tot november 2011 werkzaam was als tolk voor eenheden van de NAVO en ISAF, waaronder de Nederlandse missie. Verweerder heeft het verzoek om overbrenging afgewezen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van de Tolkenregeling. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het e-mailbericht van 28 april 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar en beroep open staat.
Wat vinden partijen in beroep?
3. Eiser betoogt dat de afwijzing van zijn verzoek door verweerder een besluit is in de zin van de Awb en dat zijn bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij verwijst daarbij onder meer naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 14 september 2022. [2] Voorts doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt verder dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn werkzaamheden voor de Nederlandse missie te bewijzen en dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
4. Verweerder stelt dat een reactie op een verzoek om overbrenging uit Afghanistan op grond van de Tolkenregeling geen besluit is in de zin van de Awb. Daartoe voert verweerder onder meer aan dat de Tolkenregeling geen publiekrechtelijke grondslag heeft en er geen aanleiding bestaat om, net als in het geval van de bij brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening, [3] een uitzonderlijke situatie aan te nemen en een reactie op een verzoek toch aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Dat betekent dat eiser zich niet tot de bestuursrechter kan wenden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De hoogste bestuursrechter heeft op 10 april 2024 geoordeeld dat de afwijzing van een verzoek op grond van de Tolkenregeling een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. [4] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
6. Voor zover eiser uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op de bij brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening, heeft verweerder er terecht op gewezen dat hij zich met dit verzoek zal moeten wenden tot het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.
8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-). Er is geen griffierecht betaald, daarom hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592 en ECLI:NL:RVS:2022:2684.
3.Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
4.Uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.