ECLI:NL:RBDHA:2024:9254
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verzoek overbrenging vanuit Afghanistan op grond van Tolkenregeling
Eiser diende op 16 maart 2022 een verzoek in om overbrenging van zichzelf en zijn gezinsleden vanuit Afghanistan naar Nederland, gebaseerd op zijn werkzaamheden als tolk voor NAVO- en ISAF-eenheden, waaronder de Nederlandse missie. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser niet aan de voorwaarden van de Tolkenregeling zou voldoen. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat het e-mailbericht van 28 april 2022 geen besluit zou zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiser stelde dat de afwijzing wel degelijk een besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaan, en verwees daarbij naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Tevens voerde hij aan dat verweerder hem onterecht niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn werkzaamheden te bewijzen en dat hij niet in bezwaar is gehoord. Verweerder betoogde dat de Tolkenregeling geen publiekrechtelijke grondslag heeft en dat de afwijzing daarom geen besluit is in de zin van de Awb.
De rechtbank volgde het oordeel van de hoogste bestuursrechter van 10 april 2024 dat de afwijzing van een verzoek op grond van de Tolkenregeling wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar onjuist. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.