ECLI:NL:RBDHA:2024:9311
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Oostenrijk
Eiseres, van Syrische nationaliteit, diende op 26 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag op 29 maart 2024 niet-ontvankelijk omdat eiseres internationale bescherming geniet in Oostenrijk en niet voldeed aan de voorwaarden voor een afgeleide asielvergunning in Nederland.
Eiseres voerde aan dat zij getrouwd is met een Syrische man met een verblijfsvergunning in Nederland en dat haar band met Nederland daarom sterker is dan met Oostenrijk. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de band met Oostenrijk zodanig is dat het redelijk is om naar Oostenrijk terug te keren, conform vaste jurisprudentie en artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verder stelde eiseres dat de staatssecretaris ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro inzake haar recht op familie- en privéleven. De rechtbank verwierp dit, omdat de aanvraag niet-ontvankelijk was verklaard en de staatssecretaris niet verplicht is die toets uit te voeren in deze procedure. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.