Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft op 16 april 2024 alsnog een inwilligend besluit genomen, waardoor het oorspronkelijke doel van het beroep is bereikt. De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom geen belang meer heeft en verklaart het niet-ontvankelijk.
Eiser verzocht tevens om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom en om veroordeling van verweerder in de proceskosten. De rechtbank overweegt dat sinds 11 juli 2021 de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing is, waardoor geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd zijn bij te late beslissingen op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 30 november 2022.
Verder is de beslistermijn voor asielaanvragen ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden verlengd op grond van het besluit WBV 2023/3. De asielaanvraag van eiser valt onder dit besluit, waardoor de beslistermijn verlengd is tot uiterlijk 30 oktober 2024. De ingebrekestelling van 1 februari 2024 was daarom prematuur en het beroep niet ontvankelijk.
De rechtbank wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af omdat het beroep niet ontvankelijk is en verweerder tijdig heeft beslist binnen de verlengde termijn. Er is geen sprake van een bestuurlijke dwangsom. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 10 juni 2024.