Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Nadat de staatssecretaris niet tijdig op de aanvraag had beslist, stelden eisers de staatssecretaris in gebreke en dienden zij een beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank heeft op 7 februari 2024 het eerdere beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris een beslistermijn van acht weken opgelegd.
Eisers hebben op 5 maart 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank overweegt dat op dat moment de door haar opgelegde beslistermijn van acht weken nog niet was verstreken en dat de aan de uitspraak verbonden dwangsom nog niet was verbeurd. Hierdoor is het tweede beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
De rechtbank baseert haar oordeel op de relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en vaste jurisprudentie, waaronder de noodzaak van een ingebrekestelling bij het eerste beroep tegen niet tijdig beslissen en de werking van rechterlijke beslistermijnen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.